De Minister spreekt over “Het vet op de soep”?
Een woonzorgcentrum is te vergelijken met een groot gezin waar rekeningen goed worden beheerd, waar men voorziet wat nodig is voor de toekomst en waar rekening wordt gehouden met mogelijke onvoorziene uitgaven, herstellingen en vernieuwingen. We sparen om grotere uitgaven te kunnen doen en we gaan na hoe uitgaven kunnen gefinancierd worden. Dit goed “huisvader(moeder)schap” noemt de minister “het vet op de soep” op een moment dat de overheid de tussenkomst voor bouwwerken van 60% naar 15% laat dalen.
Bovenop dit verhaal past de overheid eerder gemaakte afspraken voortdurend aan en komen er ook besparingen aan op de (tussenkomsten voor) vergoeding(en) van onze broodnodige personeelsleden. Werkgevers van woonzorgcentra moeten hierdoor meer kosten zelf vergoeden om het personeelsbestand op peil te kunnen houden.
In tegenstelling tot woonzorgcentra die in handen zijn van private ondernemers worden mogelijke “winsten”, dit zijn ‘positieve bedrijfsresultaten’, hier niet uitbetaald aan aandeelhouders. Ons sparen wordt rechtstreeks terug gebruikt om zorg en wonen te verbeteren, bouwen en verbouwen mogelijk te maken.
Met de aangekondigde besparingen van overheidswege houden we in ons woonzorgcentrum rekening met een extra kost in 2026 van 150.000 euro. Veel vet is er dus moeilijk te vinden.
De Minister spreekt ook over efficiëntiewinsten die er nog kunnen zijn.
Uiteraard moeten we blijven zoeken naar verbeteringen, efficiëntere inzet van middelen en moderniseringen waar we kunnen om kosten te laten dalen. We zijn echter enkel bereid dit te doen op voorwaarde dat de kwaliteit van de bewonerszorg en de medewerkerstevredenheid er niet onder lijden. Vb. aanleggen van extra zonnepanelen zodat elektriciteitskost kan terugverdiend worden.
Wonen en leven is voor iedereen duurder geworden. De kosten voor voeding, verwarming, water, elektriciteit enz. zijn voor alle gezinnen gestegen, dus ook voor ons grote gezin.
De loonkosten voor onze medewerkers zijn eveneens verhoogd. De zorgzwaarte in de ouderenzorg neemt toe omdat de bevolking meer en meer vergrijst. Onze bewoners verdienen goeie zorg en dit betekent voldoende handen om het wonen, zorgen en leven aangenaam te houden. Hierop willen we in ieder geval niet besparen. We zouden naast het inkrimpen van kwalitatieve zorg hiermee ook ingrijpen in de tevredenheid van medewerkers die enkel voldoening vinden in het correct aanbieden van zorg en aandacht. Blijven aantrekken van voldoende en goed gekwalificeerd personeel tegen een juiste verloning blijft een voortdurende zorg bij deze inkrimpende subsidies. Minder handen is voor ons geen efficiëntiewinst.
Het aantal administratieve verplichtingen, registraties, controles en regels blijft toenemen waardoor medewerkers minder tijd krijgen voor hun zorgtaken. Dit is voor ons geen efficiëntiewinst.
We vragen daarom, samen met collega’s van andere woonzorgcentra, al een hele tijd een gesprek met de minister maar het overleg blijft uit. We willen graag vernemen waar we nog beter kunnen doen met de steeds verminderende financiële tussenkomsten.
U kan erop rekenen dat ook woonzorgcentrum Sint-Bernardus in dit debat meer dan zijn stem zal laten horen en zal blijven strijden voor een warme, menswaardige en kwaliteitsvolle ouderenzorg.
Onze oprechte dank voor het lezen van dit schrijven.
Namens de directie en het bestuursorgaan,
Lieve Schuerman Paul Vanden Berghe
Algemeen directeur Voorzitter bestuursorgaan